Vul de verleden tijd in van 'to live' (wonen) en 'to travel' (reizen).
To live (wonen, leven)
I
You
He, she, it
We, you, they

To travel (reizen)
I to Africa last year
you to Africa last year
he, she, it to Africa last year
we, you, they to Africa last year

NB: traveled zou ook kunnen (dit is echter uitsluitend mogelijk in Amerikaans Engels)